Ik weet nog goed hoe het ging toen we thuiskwamen uit het ziekenhuis toen Kato net geboren was. We hadden twee dagen in de veilige geborgenheid van onze ziekenhuiskamer gelegen met zijn drietjes. Af en toe kwamen er verpleegsters langs en natuurlijk de trotse opa’s en oma’s, ooms en tantes. Heel lief en vertrouwd allemaal.
En toen moesten we weg. Ik in een rolstoel, Kato in de maxicosi op mijn schoot, door de ziekenhuisgangen naar de uitgang. De grote boze buitenwereld. Plots besefte ik hoe breekbaar ik me voelde. Hoe kwetsbaar ons kleine meisje was. Ik wou me helemaal over haar heen buigen en zo ons beiden beschermen van al die enge, lelijke mensen die zo geïnteresseerd keken. Met hun ziektekiemen.
De taxi in. Die veel te hard reed aan zijn slakkegang en de chauffeur die veel te hard praatte met zijn zachte stem. Scheen de zon niet te hard in Kato’s gezicht? Overleefde ze die bobbels op de weg wel? Ho, niet zo hard remmen!
Thuis stond de buurvrouw buiten. Die begon te gillen van verrukking en vroeg hoe het met me ging. Ik kon alleen maar huilen en naar binnen strompelen. G, trotse vader, liet haar even in de maxicosi kijken en bracht Kato naar me toe. Ik heb nog lang zitten huilen op de bank.
Dat was het begin van een bewogen, zware, emotionele kraamweek met veel te veel drukte en bezoek.
De verloskundige heeft me gerustgesteld: bij de tweede is het anders. Makkelijker. Toch hebben we ons voorgenomen om het anders te doen. Rustigaan. Met zijn viertjes. De buitenwereld laten we zo lang mogelijk buiten. Dat snappen jullie wel, toch?
